Bedevaart

Hoe neem je afscheid van een dierbare? Het verhaal ‘Bedevaart’ door Michelle van Daalhoff is een van de tien kanshebbers om het beste spirituele reisverhaal van 2016 te worden. 

‘Het past!’ Mijn vriend Sven duwt zijn volle gewicht tegen de kofferbak. Het is ons terugkerend vakantieritueel: ik loop half huilend rond de cabrio en Sven doet alsof we gerust nog een pingpongtafel, een ledikant en een kamerplant mee kunnen nemen. Vorig jaar had ik hem gevraagd, nee: toegeschreeuwd, waar hij in godsnaam dacht dat er een kamerplant paste. Dit jaar mag ik niet egoïstisch zijn. Ik moet mijn tranen verbijten. De klep gaat dicht. ‘Zie je nou?’ lacht hij. Nu alleen het blikje nog. Waar laten we het blikje? In mijn rugzak? Tussen de boterhammen? Ik vind het ineens een eng idee. Het handschoenenkastje dan.

Nadat hij mijn gebruikelijke kopje thee heeft gebracht, zitten we zwijgend tegenover elkaar. De stilte maakt het ondraaglijke ondraaglijker. Ik probeer mijn ogen van de plek waar het bed stond af te houden. Sven pakt zijn telefoon. Een gesprek voeren met zijn vader is voor hem onmogelijk. Zelfs de meest eenvoudige woorden eindigen in een ruzie. Volgens Sven komt dat omdat hij zijn vader altijd teleurstelt.

Ik denk na over hoe ik het gesprek op gang moet krijgen. Intermenselijke communicatie is verdomme mijn vak en nu lijkt alles wat ik erover weet belachelijk. Op tafel ligt een fotoalbum. Ik wijs ernaar. Kees slaat het boek open en begint te vertellen.

In de dood

De eerste stop is Ieper. Jean-Philippe en zijn vrouw Vivian staan ons bij de poort op te wachten. Onder het genot van een Belgisch biertje, begint Jean-Philippe te vertellen.
‘Dit hier, dit heb ik met mijn eigen handen opgebouwd.’

Deze man is een waar kunstenaar. Het huis, de weelderige tuin: het is alsof we in een sprookje zijn beland.

‘Hier, onder deze drempel, vond ik een been,’ vervolgt hij. Jean-Philippe vertelt dat er honderd jaar na de Eerste Wereldoorlog nog dagelijks menselijke resten worden gevonden. Die worden naar de pastoor gebracht, die een keer in de maand een dienst houdt en ervoor zorgt dat al die onbekende soldaten een waardige rustplaats vinden.
We staan met onze voeten in de dood.

Het klopt. Het past helemaal bij onze reis.

Mammie

Vandaag heb ik het ware gezicht van pijn gezien. Pijn is rauw, het kermt, het gilt. Het is niet te dragen, niet te relativeren, niet te beschrijven.

‘Begrijpt u wat er gaat gebeuren?’ Kees knikt. Hoe kan hij begrijpen wat er gaat gebeuren? Maandenlang moet hij hebben geweten dat dit moment kwam. Maar niet nú! Morgen, overmorgen. Altijd morgen en overmorgen, maar niet nú.

Hij pakt haar hand. Een mens kan meer aan dat hij denkt, maar dit niet. Dit niet.
Dan wordt het stil. De pijn gaat liggen. De dokter gaat naar huis. Het wachten begint.

‘Dit is mammie,’ zegt Jean-Philippe. De foto, die hij trillend tussen zijn duim en wijsvinger houdt, laat een vriendelijk oud dametje zien.

‘Ik noemde haar mammie en ik ben haar altijd mammie blijven noemen. Gek, hè?’
Wij vinden het niet gek. Sven wrijft in zijn ogen.

‘Mooi dat jullie deze reis gaan maken,’ zegt Vivian.

‘Pap, we gaan naar Santiago.’

Het fotoalbum ligt opengeslagen op tafel. Mia fietst de Pyreneeën op. Kees moet een heel end vooruit zijn gefietst om deze foto te maken.

Zonder iets te zeggen loopt Kees naar boven. Als hij weer beneden komt, houdt hij een schrift vast.

‘Dan moeten jullie dit maar meenemen,’ zegt hij. Sven slaat het schrift open. Het sierlijke handschrift van zijn moeder vult alle bladzijden.

Kaarsje

De volgende ochtend vertrekken we. We rijden naar Saint Emillion. Een dag later reizen we af naar Amiens, waarover Mia schrijft dat de kathedraal prachtig is. Haar schrift wijkt geen moment van onze zijde. We zitten uren in de kerk en staren naar het kaarsje dat we voor haar hebben opgestoken.

‘Ik ga deze reis ook nog eens met de fiets maken’, zegt Sven. ‘Op de fiets is het toch anders.’ In Saint Emillion heeft hij dat ook al gezegd en vreemd genoeg irriteert het me. ‘We zijn er nu toch?’ vraag ik.

‘Mam, het is gebeurd.’

Mijn moeder snikt. Tot nu toe vond ik het vreselijk als mijn moeder huilde. Ik vond zoveel dingen die mijn moeder deed vreselijk. Als ze te hard lachte of bemoeizuchtig was. Als ze weer eens een belachelijke mening had of met kerst per se een spiritueel verhaal voor wilde lezen. Nu wil ik dat ze voor altijd huilt en lacht en bemoeizuchtig is. Ik wil dat ze voor altijd belachelijke meningen heeft en spirituele verhalen voorleest.

Lourdes

Spiritueel reisverhaal: Bedevaart. Hier: het plein in Lourdes.
Spiritueel reisverhaal: Bedevaart. Hier: het plein in Lourdes.

Op de vijfde dag wijken we iets van de route af. Lourdes is zo dichtbij en, hoewel Mia en Kees hier op hun tocht naar Santiago niet langs zijn gekomen, zijn ze er eerder wel geweest. Overigens was Mia niet erg over Lourdes te spreken. Ze was er te nuchter voor, zei ze, toen ik ooit tegen haar zei dat ik er nog eens heel wilde. ‘Poppenkast’, lachte ze.

Mijn verwachtingen zijn hooggespannen. De heilige Bernadette heeft hier Maria gezien. Mensen genezen hier, vinden hier rust, vergeving, loutering.

We lopen door de straat met toeristenwinkels. Mariakaarsen, Mariabidkransen, Maria- aanstekers: je kunt het zo gek niet bedenken of ze verkopen het hier. Op de terugweg zullen we iets meenemen om deze plek voor altijd te kunnen herinneren.

Het plein is afgeladen vol. Overal lopen zusters met zieken. Mensen in bedden, mensen aan zuurstoftanks, mensen in rolstoelen: iedereen zoekt hier naar een sprankje hoop. We besluiten de kerk in te gaan. Er is een mis bezig. Hoewel ik vroeger dikwijls naar de kerk ging, heb ik zoiets nog nooit gezien.

Goud. Overal goud.

Nep

De pastoor heeft een stem waar de gemiddelde Broadway artiest jaloers op zou zijn.
Iedereen zingt mee. Het is prachtig. De muziek, de kerk, de mensen: alles is één.

En toch voel ik het niet. Sterker nog: ik voel me ellendig.
Mijn handen beginnen te trillen. Mijn ademhaling wordt zwaar.
‘Laten we naar de grot gaan’, zegt Sven.

Buiten staat een lange rij mensen. Ze houden kaarsen vast en bidden. Een man in een habijt praat hard door de nieuwste iPhone. Zusters zingen. Mensen huilen. Er staan automaten waar je voor twee euro een kaars kunt kopen of een plaatje van de Heilige Bernadette.

Mijn hoofd tolt. Ik wil hier weg. Ik begin te rennen. Sven probeert me bij te houden. We komen langs de winkeltjes. Ik wil geen herinnering aan deze plek. Hijgend komen we aan op de camping.

‘Die hoop. Die hoop in de ogen van die mensen.’
‘Hoop is toch mooi?’
Sven aait over mijn rug.
‘Het is nep. “Geef ons je geld en wij schenken je genezing.” Disneyland voor gelovigen is het! Wat een poppenkast.’
Ik verdwijn in de tent. Ik begrijp niet waarom Lourdes me zo raakt. Ik begrijp niet waarom ik me al de hele reis zo voel. Zo ontheemd.
’s Avonds krijgen Sven en ik ruzie over de macaroni. De volgende dag krijgen we ruzie over de auto, over de afwas, over de zonnebrand.

Hoop

Wat doe je als je weet dat je dood gaat? Ik zou willen zeggen dat ik dan een feest geef waar ik al mijn geliefden voor uitnodig. Nog één keer samen. Het leven vieren. Zoiets. Ik denk dat ik tegen iedereen zou willen zeggen dat ik van ze hou, dat ik trots op ze ben en dat ze er iets van moeten maken als ik weg ben.

Je weet pas uit welk hout je gesneden bent als het je overkomt. Mia gaf geen feest. Mia sprak niet uit dat ze trots was, dat ze van haar zonen hield, van haar kleindochter, van Kees. Mia sprak niet over haar naderend einde. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat moeilijk vond. Maar nu, maanden later, begin ik het te begrijpen. Mia legde zich niet bij haar vonnis. Mia streed. Geen moment heeft ze gezegd dat ze pijn had, dat het haar teveel werd. Mia zou de honderd halen. Met gemak. Mia heeft ons moed gegeven. Hoop.

Naar huis

‘Ik kan het niet.’
Middenin de ruzie over zonnebrand gooit Sven het eruit.
‘Ik kan het niet. Deze reis. Ik kan het niet. Ik wil mijn moeder niet uitstrooien in Santiago. Ik wil haar bij me houden.’
Daar staan we dan. Jankend op een gezinscamping waar iedereen vrolijk het zwembad induikt en badminton speelt. Maandenlang hebben we naar deze reis uitgekeken. We hoopten dat het ons iets op zou leveren.
Wat?
Rust?
Acceptatie?
Catharsis?
Op papier zag het er mooi uit. Een reis om dichterbij Mia te komen.
Maar het enige waar we zijn gekomen is verder van onszelf en elkaar vandaan.
‘En mijn vader dan? Wat zal hij van me denken? Ik kon hem eindelijk trots maken en nu geef ik op.’

We zitten naast elkaar op het gras. De telefoon gaat over.
‘Met Kees.’
‘Pap, we gaan niet naar Santiago. Het is te zwaar. Ik neem mama’s as weer mee naar huis. Het spijt me zo.’
Het blijft stil. Sven slikt zijn tranen weg.
‘Geeft niet, jongen. Ik ben hoe dan ook trots op je.’

 

breng hier je stem uit